Het verhaal van verpleegde 6804 in Veenhuizen

‘Vaak denk ik nog aan Neeltje en de kinderen. Het begon zo mooi, dat zij, het mooiste en liefste meisje van het dorp, voor mij koos! In 1869 trouwde ik met Neeltje in onze geboorteplaats Zijpe in Noord-Holland. Zij was toen 24 jaar, ik 20. Ik werkte hard in de landbouw voor mijn gezin. Al snel werd ons eerste kindje geboren, daarna volgden nog acht. Wat een rijkdom!’

Nu, 27 jaar later, zat hij in een trekschuit naar het onbekende. Hij had al een lange reis achter de rug. Op bevel van de rechter, was hij vanuit Alkmaar, onder begeleiding, met de trein naar Assen gereisd. Hij was veroordeeld voor landloperij. Voor de zoveelste maal had hij voor de rechter gestaan. De rechter meende dat het goed voor hem was dat hij werd heropgevoed in een Rijkswerkinrichting, zodat hij misschien eens een eerzaam burger zou zijn. Eerder had hij al als “verpleegde”, zoals dat zo mooi heette, in de Rijkswerkinrichting van Hoorn gezeten. Het had weinig zin gehad. In Assen was hij ’s avonds opgewacht door een rijksveldwachter in vol ornaat. Ze wisten al van zijn komst. Er werd geschreeuwd, dat hij moest plaatsnemen in de trekschuit. De andere treinreizigers keken hem meewarig aan: die wisten ook wel van de hoed en de rand. De schipper heette Tobi, ontdekte hij later. Hij zag al direct dat je bij die Tobi geen geintjes uit hoefde te halen, die had al genoeg streken van de sloebers, zoals hem, gezien. Net als de andere mannen hield hij zich daarom maar koest en ging benedendeks zitten.

‘Die rijkdom heb ik veel te laat gezien. Ik zag alleen de zorgen, de gebreken en vond al die kinderen vooral lastig. Ik ben stom geweest. In plaats van problemen aan te pakken, dronk ik ze weg. De problemen kwamen daarna alleen maar groter terug. Ik heb een kwaaie slok en in de dronken buien heb ik Neeltje dikwijls geslagen, best wel hard. De kinderen waren er vaak getuige van en huilden dan dat vader moest stoppen met moeder slaan. Ik had spijt van mijn huwelijk. Ik kon niet van andere vrouwen afblijven: ik ben Neeltje vaak ontrouw geweest. Stomme zak, die ik ben geweest.’

Ze waren met de trekschuit aangekomen in wat Veenhuizen heette. Het eerste wat in hem opkwam was het woord ‘leegte’. Hij zag afgegraven turfvelden, bossen en grote landerijen. Het was iets heel anders dan hij in zijn vertrouwde Alkmaar zag. Lang kon hij niet kijken: hij werd samen met de andere mannen naar een zaal gebracht. De weinige kleren en persoonlijke bezittingen die hij had, moest hij inleveren. Ook Neeltjes zachte, donkerblonde lokje haar, dat hij eens in gelukkiger tijden in een verliefde bui van haar hoofd had geknipt, moest hij inleveren. Hij hoopte maar dat het niet weg zou raken, want dan had hij echt niets meer van haar. Hij moest in bad en zijn haar werd geknipt. Gelukkig had hij geen luis, anders werd hij daarvoor ook nog behandeld. Hij kreeg zijn eigen uniform aangemeten: een bruine pilow met groene kraag, een bruine broek en klompen. Geen enkel kledingstuk paste hem goed.

‘Eerst hebben we veel ruzies over die andere vrouwen gehad, daarna deed ze alsof ze het niet zag. Maar de ontrouw en de mishandelingen waren ook zo niet voor haar vol te houden. Het was op een gegeven moment genoeg: de schande van een scheiding was minder pijnlijk dan met mij getrouwd te blijven. In 1884, na 15 jaar huwelijk, werd de scheiding uitgesproken. Pas toen besefte ik wat ik had gedaan. De scheiding is niet mijn wens geweest. Maar ja, wat kon ik er nog aan doen? Niemand wilde iets meer van me weten. Ja, koning alcohol, die wel…’

Hij wilde eigenlijk slapen, maar zover was het nog niet. Hij moest plaats nemen op een stoel. Jan Geel werd op dat moment verpleegde nummer 6804.  Hij werd van alle kanten bekeken, ze maten zijn armen, benen, hoofd.  Ze vroegen hem van alles en dat werd allemaal genoteerd. Vingerafdrukken werden genomen en voor het eerst van zijn leven kwam hij op de foto. Ze zeiden dat dit nu de standaardprocedure was. Nieuwe tijd, nieuwe methoden. “Bent u getrouwd?” vroegen ze nog. Hij wist even niet wat te zeggen. “Bent u getrouwd?” vroegen ze nu wat harder. Anderen keken zijn kant al op. “Nee, nee, ik ben weduwnaar….” antwoordde hij maar snel. Blijkbaar waren ze met dat antwoord tevreden.

Hij werd gebracht naar wat de Rijkswerkinrichting Veenhuizen I heette. Er waren nog twee andere inrichtingen in Veenhuizen, zou hij later leren. De slaapzaal was boven. Ruim honderd ijzeren kooien van 185 bij 90m met daarin een hangmat met strozak en dekens en een po, waar hij ’s nachts zijn behoefte in kon doen. Hij stapte naar binnen en de deur werd achter hem op slot gedraaid. Hij ging liggen in de hangmat. Hoe diep kon iemand zinken? Hij probeerde te slapen, maar hij hoorde alles. Zijn buurman snurkte, verderop moest iemand plassen… Toen hij ’s morgens eindelijk in slaap viel, werd hij al om 6 uur ruw gewekt. Na het legen van zijn po, moest hij naar beneden lopen. Lange schragen en banken vulden de zaal. Het was augustus, dus de turfkachel in de hoek stond uit. Voor hem stond een etensbordje met de tekst “Zijt tevreden met uw lot”. Hij snoof even. Een zaalopziener keek hem streng aan. Hij at snel zijn roggebrood maar op en dronk zijn koffie.

‘Alle hoop op een hereniging met Neeltje was verloren, toen zij in 1888 overleed. Onze jongste Jacob was toen nog maar 7 jaar. Zelf heb ik mijn moeder ook jong verloren. En in plaats van als een echte kerel voor mijn kinderen te zorgen, dronk ik mijn verdriet weg. Ik werd een goede bekende van de politie. Steeds weer mocht ik aan de rechter in Alkmaar mijn zoveelste overtreding van dronkenschap uitleggen. Zat ik eerst nog twee dagen vast, later werden het steeds langere perioden. En zodra ik weer vrij was, zat ik weer in het café. Mijn kinderen werden in de tussentijd opgevoed door anderen.’

Om zeven uur werd hij, onder toeziend oog van een rijksveldwachter met honderden mannen naar de arbeid gebracht. Hij had gehoord dat er wel 3000 mannen in Veenhuizen waren. Omdat hij eerder in de landbouw had gewerkt, werd hij hier nu ook aan het werk gezet. Samen met zo’n dertig anderen verzorgde de dieren en gewassen bij een hoevenmeester. Het werk viel hem zwaar, maar de frisse lucht deed hem ook wel goed.

’s Middags om 12 uur kregen ze warm te eten. Het eten was eenvoudig en je wist precies wat je op welke dag at. Op zondag, dinsdag, donderdag aardappelen met groenten, soep op maandag, woensdag en zaterdag en op vrijdag stijve gort met stroop. Soms kocht hij van zijn verdiende geld wat extra eten, zoals boter, spek of brood. Alcohol was niet te krijgen in de winkel, misschien ook maar beter. Sommigen wisten met schimmige handeltjes toch nog wat alcohol te regelen. Hij dronk dan ook wel stiekem mee. ’s Middags werd van half twee tot uiterlijk half zes gewerkt. De verpleegden moesten voor het donker binnen zijn. Hij kreeg weer wat ritme in zijn leven en de hoevemeester vond dat hij zijn werk goed deed.

Trouw ging hij elke zondag naar de protestantse kerk in Veenhuizen. Het was het enige verzetje in de week. Ook zag hij dan eens de vrouwen en kinderen van het personeel. Het deed hem denken aan het leven wat hij gehad zou kunnen hebben met zijn Neeltje en de kinderen.

Bezoek kwam er nooit. Zijn ouders waren jaren geleden al overleden, net als zijn broer en zus. En zijn kinderen wilden niets meer met hem te maken hebben. Misschien was het ook maar beter: hij bracht ze toch alleen maar verdriet en schande. Sommige verpleegden hadden wel geluk. Zij konden dan hun familie een kwartiertje zien. Ze hadden hem verteld dat er ook wat geld opzij werd gelegd als hij weer vrij kwam. Misschien kon hij dan met dat spaarpotje eindelijk zijn leven weer op de rails krijgen.

‘Van alle mooie dromen is niets terecht gekomen. Vlak voor mijn vrijlating heb ik in Veenhuizen nog een mooi pak laten aanmeten door een handelaar uit Assen, in de hoop dat ik voor de mensen niet langer die arme sloeber was. Ik hoopte een kans in de maatschappij te krijgen. Het mooie pak had al een aardig gat in mijn budget geslagen. Maar niemand wilde me. En in plaats van door te zetten, heb ik de rest van mijn spaarpotje weer uitgegeven in het café. Het is me niet meer gelukt zijn leven op de rails te krijgen. Nu, in 1922, ben ik 73 jaar en weer op last van de rechter onderweg naar Veenhuizen.

Er is wel het één en ander veranderd in die ruim 25 jaar. De trekschuit van Tobi is er niet meer. Ik word in Assen opgehaald met de autobus en zo naar Veenhuizen gebracht. Er worden nu alleen wat gegevens genoteerd bij het inschrijven. Het personeel van de inrichtingen woont nu in het dorp Veenhuizen, niet langer bij de gestichten. En niet alleen verpleegden verblijven nu in Veenhuizen, ook veroordeelde criminelen worden hier nu opgesloten.

Omdat ik al wat ouder ben, word ik opgevangen in Veenhuizen III, waar huismeester Wesselius het scepter zwaait. De inrichting is speciaal ingericht voor oudere en invalide verpleegden. Hier breng ik de dagen door met het schoffelen in de tuintjes van de ambtenaren. Ik moet nu nog een jaar. Ik wil straks naar huis, naar Alkmaar. Misschien vind ik daar nog iets van vroeger, toen alles nog goed leek.’

Op 25 augustus 1923 komt Jan Geel vrij en vertrekt richting Alkmaar. Wat er met hem daarna gebeurd is, is helaas niet bekend.

Meld je aan voor de nieuwsbrief

Oude Gracht 1, 9341 AA Veenhuizen, tel: 0592 - 388264, info@gevangenismuseum.nl

Volg ons
Volg ons

Meld je aan voor de nieuwsbrief

Contact gegevens

Oude Gracht 1

9341 AA Veenhuizen

Tel: 0592 - 388264

info@gevangenismuseum.nl